Infoflash

photo
14/07/2026
Vrije toegang

Vergrijzingsrapport 2026: getemperde pensioenfactuur gaat gepaard met dalende pensioenadequaatheid

Het Jaarverslag 2026 van de Studiecommissie voor de Vergrijzing schetst een duidelijke dubbele uitdaging. De recente pensioenhervorming vermindert de budgettaire kosten van de pensioenen over de periode 2025-2070 met 1,4 procentpunt van het bbp, maar tegelijk komt de pensioenadequaatheid op langere termijn onder druk: de benefit ratio ligt in 2070 naar verwachting ongeveer 13% lager dan in 2025. Voor PensioPlus bevestigt dit de dringende noodzaak om, naast een sterke eerste pijler, werk te maken van een brede en voldoende gefinancierde tweede pijler, met een veralgemeend aanvullend pensioen en een minimumbijdrage van 3% tegen 2035.
Vergrijzing in België tegen 2070: sociale uitgaven stijgen tot 2050 en stabiliseren daarna
De Studiecommissie voor de Vergrijzing heeft vorige week haar nieuwe jaarlijkse verslag gepubliceerd over de budgettaire en sociale gevolgen van de vergrijzing in België. Het rapport schetst een gemengd beeld. Enerzijds blijven de budgettaire gevolgen aanzienlijk: de sociale uitgaven stijgen van 25,7% van het bbp in 2025 tot 27,2% in 2050, waarna ze tot 2070 nagenoeg stabiliseren. Anderzijds wordt de stijging van de pensioenuitgaven duidelijk afgeremd door de recente pensioenhervorming. Over de periode 2025-2070 verminderen de maatregelen van de federale regering de budgettaire kosten van de pensioenen met 1,4 procentpunt van het bbp. Daardoor nemen de pensioenuitgaven over diezelfde periode nog met 0,7 procentpunt van het bbp toe.
Tegenover die budgettaire tempering staat evenwel een belangrijke sociale vaststelling. Op langere termijn neemt de pensioenadequaatheid af. De zogenoemde benefit ratio — de verhouding tussen het gemiddelde brutopensioen en het gemiddelde brutoarbeidsinkomen — ligt in 2070 ongeveer 13% lager dan in 2025. Het gemiddelde pensioen groeit dus minder snel dan het gemiddelde arbeidsinkomen. De recente pensioenhervorming draagt volgens de Studiecommissie bij tot die daling van de relatieve levensstandaard van gepensioneerden.
De afzonderlijke budgettaire en sociale evaluatie van de pensioenhervorming door het Federaal Planbureau kwam eerder tot een vergelijkbare conclusie: de hervorming remt de groei van de pensioenuitgaven af, maar leidt op lange termijn ook tot lagere vervangingsratio’s en benefit ratio’s dan in een scenario zonder hervorming. De precieze impact verschilt daarbij naargelang het pensioenstelsel, het geslacht en de betrokken pensioenmaatregel.
Betaalbaarheid en adequaatheid moeten samen worden aangepakt
Voor PensioPlus bevestigen deze resultaten dat een duurzaam pensioenbeleid niet uitsluitend vanuit budgettair oogpunt kan worden beoordeeld. De financiële houdbaarheid van het wettelijke pensioen is essentieel, maar moet samengaan met de ambitie om gepensioneerden ook op lange termijn een behoorlijke levensstandaard te bieden.
Een sterke eerste pensioenpijler blijft het fundament van het Belgische pensioenstelsel. Wanneer het wettelijke pensioen evenwel geleidelijk minder snel stijgt dan de arbeidsinkomens, wordt een brede en voldoende gefinancierde tweede pensioenpijler des te belangrijker. Het aanvullend pensioen vervangt het wettelijke pensioen niet, maar vormt een noodzakelijke aanvulling erop.
De nieuwe cijfers van de Studiecommissie onderstrepen daarom de urgentie om werk te maken van zowel de verbreding als de verdieping van de aanvullende pensioenen. Verbreding betekent dat alle werknemers effectief toegang krijgen tot een aanvullend pensioen. Verdieping betekent dat de bijdragen voldoende hoog zijn om na een volledige loopbaan een betekenisvol aanvullend pensioen op te bouwen.
2035 is de streefdatum, niet het startpunt
Het federale regeerakkoord voorziet dat alle werknemers, met inbegrip van de contractuele personeelsleden in de publieke sector, tegen uiterlijk 2035 over een stevig aanvullend pensioen moeten beschikken waarvoor een werkgeversbijdrage van minstens 3% wordt voorzien. Sectoren die deze grens nog niet bereiken, moeten volgens het regeerakkoord een prioritaire bijkomende inspanning leveren via hun sectorale akkoorden.
Die doelstelling moet nu worden omgezet in een concreet en geloofwaardig groeipad tegen 2035 en hier moet vandaag werk van worden gemaakt. Pensioenopbouw vergt immers tijd: hoe later de bijdragen worden verhoogd, hoe korter de periode waarin rendementen kunnen worden opgebouwd en hoe groter de latere inhaalbeweging moet zijn.
De conclusie van het nieuwe vergrijzingsrapport is niet dat België moet kiezen tussen betaalbare of adequate pensioenen. We hebben beide nodig. Een sterke tweede pensioenpijler is daarbij geen alternatief voor het wettelijke pensioen, maar een noodzakelijke aanvulling. De doelstelling voor 2035 vraagt daarom vandaag al om concrete beslissingen. Alleen door nu tegelijk in te zetten op een sterke eerste pijler en een brede, voldoende diepe tweede pijler kan België de budgettaire houdbaarheid van zijn pensioenstelsel verzoenen met een adequaat pensioeninkomen voor toekomstige generaties.
Het PensioPlus team

photo
08/07/2026
Gereserveerd voor leden

Wetsontwerp tot versterking van het VAPZ

In uitvoering van het regeerakkoord heeft de federale regering een nieuwe stap gezet in de versterking van de tweede pensioenpijler voor zelfstandigen. Ze heeft hiertoe meer bepaald op 15 juni een wetsontwerp tot wijziging van de programmawet (I) van 24 december 2002 ingediend. Het ontwerp beoogt het VAPZ-stelsel te versterken door enerzijds het maximum te verhogen en anderzijds meer zelfstandigen de mogelijkheid te bieden om op een eenvoudige en fiscaal ondersteunde manier aanvullende pensioenrechten op te bouwen. 
Het wetsontwerp
Het wetsontwerp voorziet in drie concrete aanpassingen aan het Vrij Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen, het VAPZ.
1. Verruiming van de toegang voor zelfstandigen in bijberoep
Voortaan zullen ook zelfstandigen in bijberoep toegang krijgen tot het VAPZ, voor zover zij sociale bijdragen verschuldigd zijn op een jaarlijks beroepsinkomen van minstens 1.922,16 euro (drempelbedrag voor 2026).
Dit is een belangrijke versoepeling. Tot nu toe was de toegang voor zelfstandigen in bijberoep beperkter en gekoppeld aan voorwaarden die in de praktijk slechts door een kleinere groep werden vervuld. Het wetsontwerp wil die toegang beter afstemmen op de werkelijke loopbaantrajecten van zelfstandigen.
2. Verhoging van de maximale VAPZ-bijdrage
Het maximumbijdragepercentage voor het klassieke VAPZ wordt verhoogd van 8,17% naar 8,50%. Omdat het sociale VAPZ wettelijk 15% hoger ligt dan het klassieke VAPZ, stijgt het maximumbijdragepercentage voor het sociale VAPZ automatisch van 9,40% naar 9,78%.
Voor zelfstandigen betekent dit dat zij, binnen de wettelijke grenzen, een hogere bijdrage kunnen storten voor hun aanvullend pensioen. Dit kan bijdragen tot een sterkere pensioenopbouw binnen de tweede pijler.
3. Verduidelijking van de minimumbijdrage
Het wetsontwerp verduidelijkt ook dat wanneer de toepassing van het maximumpercentage leidt tot een bijdrage die lager ligt dan het wettelijke minimum, het minimumbedrag toch van toepassing blijft. De minimumbijdrage voor het VAPZ bedraagt dus 100 euro per jaar, ongeacht het inkomen.
Met deze verduidelijking wordt een interpretatieprobleem weggewerkt dat in de praktijk reeds langer werd gesignaleerd.
Inwerkingtreding en regularisatie voor 2026
Wat de inwerkingtreding betreft, werd na het advies van de Raad van State voorzien dat de wet in werking treedt op de dag van haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Er wordt bovendien een regularisatiemogelijkheid voorzien om rekening te houden met VAPZ-bijdragen die in 2026 reeds werden betaald.
Zelfstandigen die in 2026 al VAPZ-betalingen hebben verricht, zullen dus daardoor vanaf de datum van inwerkingtreding aanvullende betalingen kunnen doen binnen de nieuwe, verhoogde bijdragegrenzen. Op die manier kunnen zij ook voor 2026 reeds voordeel halen uit de hogere bijdragepercentages.
Aandachtspunt voor pensioeninstellingen
Het wetsontwerp zal de komende dagen verder worden behandeld in tweede lezing in de Kamercommissie Sociale Zaken, Werk en Pensioenen. Pensioeninstellingen doen er daarom goed aan om deze ontwikkeling nu al nauwgezet op te volgen.
Zodra de tekst definitief is aangenomen en gepubliceerd, zal een gerichte communicatie naar de betrokken zelfstandigen aangewezen zijn. Daarbij verdient vooral de nieuwe toegang voor zelfstandigen in bijberoep, de verhoging van de bijdragepercentages en de regularisatiemogelijkheid voor 2026 bijzondere aandacht.
Besluit
Dit wetsontwerp vormt een gerichte maar betekenisvolle versterking van de aanvullende pensioenopbouw voor zelfstandigen. Door de toegang tot het VAPZ te verruimen, de maximale bijdragepercentages te verhogen en de minimumbijdrage te verduidelijken, wordt de tweede pensioenpijler voor zelfstandigen flexibeler en toegankelijker gemaakt.
PensioPlus volgt de verdere parlementaire behandeling op en zal haar leden informeren zodra de nieuwe bepalingen definitief zijn aangenomen en gepubliceerd.


Het PensioPlus team

photo
07/07/2026
Vrije toegang

WAP-minimumrendement blijft ook in 2027 op 2,5%

De wettelijke minimumrendementsgarantie op aanvullende pensioenen blijft ook in 2027 behouden op 2,5%. De FSMA heeft vorige week de rentevoet voor de berekening van de minimale rendementsgarantie bedoeld in artikel 24 van de WAP gepubliceerd op haar site. Voor 2027 blijft het minimum dus ongewijzigd ten opzichte van 2025 en 2026. 
De minimumrendementsgarantie is een belangrijk beschermingsmechanisme binnen de tweede pensioenpijler. Zij zorgt ervoor dat aangeslotenen bij pensionering of bij overdracht van hun reserves na uittreding minstens recht hebben op de (netto-) gestorte bijdragen, gekapitaliseerd aan de wettelijk vastgestelde rentevoet.
Belangrijk is dat deze garantie een verplichting is van de inrichter — de werkgever of sector — en niet van de pensioeninstelling. Indien het effectieve rendement van het verzekeringscontract of het pensioenfonds onvoldoende zou zijn om de wettelijke garantie te bereiken, moet de inrichter het verschil bijpassen.
De wettelijke minimumrendementsgarantie blijft daarbij een vangnet, geen plafond. In de praktijk ligt het uiteindelijke rendement vaak hoger dan het wettelijke minimum. Uit onze jaarlijkse financiële enquête blijkt dat de Belgische pensioenfondsen over de voorbije 41 jaar gemiddeld een nominaal jaarlijks rendement van 6,2% hebben gerealiseerd. Dat onderstreept de meerwaarde van een langetermijngerichte en gediversifieerde beleggingsstrategie binnen pensioenfondsen.
Het PensioPlus team

Deze Website maakt gebruik van cookies om u de best mogelijke ervaring te bieden. Door op « ACCEPTEREN » te klikken of door verder te gaan met het gebruik van de Website, aanvaardt u het gebruik van cookies in uw webbrowser. Voor meer informatie over ons cookiebeleid en de verschillende soorten cookies die worden gebruikt, klikt u op
Meer informatie