Vergrijzingsrapport 2026: getemperde pensioenfactuur gaat gepaard met dalende pensioenadequaatheid
Het Jaarverslag 2026 van de Studiecommissie voor de Vergrijzing schetst een duidelijke dubbele uitdaging. De recente pensioenhervorming vermindert de budgettaire kosten van de pensioenen over de periode 2025-2070 met 1,4 procentpunt van het bbp, maar tegelijk komt de pensioenadequaatheid op langere termijn onder druk: de benefit ratio ligt in 2070 naar verwachting ongeveer 13% lager dan in 2025. Voor PensioPlus bevestigt dit de dringende noodzaak om, naast een sterke eerste pijler, werk te maken van een brede en voldoende gefinancierde tweede pijler, met een veralgemeend aanvullend pensioen en een minimumbijdrage van 3% tegen 2035.
Vergrijzing in België tegen 2070: sociale uitgaven stijgen tot 2050 en stabiliseren daarna
De Studiecommissie voor de Vergrijzing heeft vorige week haar nieuwe jaarlijkse verslag gepubliceerd over de budgettaire en sociale gevolgen van de vergrijzing in België. Het rapport schetst een gemengd beeld. Enerzijds blijven de budgettaire gevolgen aanzienlijk: de sociale uitgaven stijgen van 25,7% van het bbp in 2025 tot 27,2% in 2050, waarna ze tot 2070 nagenoeg stabiliseren. Anderzijds wordt de stijging van de pensioenuitgaven duidelijk afgeremd door de recente pensioenhervorming. Over de periode 2025-2070 verminderen de maatregelen van de federale regering de budgettaire kosten van de pensioenen met 1,4 procentpunt van het bbp. Daardoor nemen de pensioenuitgaven over diezelfde periode nog met 0,7 procentpunt van het bbp toe.
Tegenover die budgettaire tempering staat evenwel een belangrijke sociale vaststelling. Op langere termijn neemt de pensioenadequaatheid af. De zogenoemde benefit ratio — de verhouding tussen het gemiddelde brutopensioen en het gemiddelde brutoarbeidsinkomen — ligt in 2070 ongeveer 13% lager dan in 2025. Het gemiddelde pensioen groeit dus minder snel dan het gemiddelde arbeidsinkomen. De recente pensioenhervorming draagt volgens de Studiecommissie bij tot die daling van de relatieve levensstandaard van gepensioneerden.
De afzonderlijke budgettaire en sociale evaluatie van de pensioenhervorming door het Federaal Planbureau kwam eerder tot een vergelijkbare conclusie: de hervorming remt de groei van de pensioenuitgaven af, maar leidt op lange termijn ook tot lagere vervangingsratio’s en benefit ratio’s dan in een scenario zonder hervorming. De precieze impact verschilt daarbij naargelang het pensioenstelsel, het geslacht en de betrokken pensioenmaatregel.
Betaalbaarheid en adequaatheid moeten samen worden aangepakt
Voor PensioPlus bevestigen deze resultaten dat een duurzaam pensioenbeleid niet uitsluitend vanuit budgettair oogpunt kan worden beoordeeld. De financiële houdbaarheid van het wettelijke pensioen is essentieel, maar moet samengaan met de ambitie om gepensioneerden ook op lange termijn een behoorlijke levensstandaard te bieden.
Een sterke eerste pensioenpijler blijft het fundament van het Belgische pensioenstelsel. Wanneer het wettelijke pensioen evenwel geleidelijk minder snel stijgt dan de arbeidsinkomens, wordt een brede en voldoende gefinancierde tweede pensioenpijler des te belangrijker. Het aanvullend pensioen vervangt het wettelijke pensioen niet, maar vormt een noodzakelijke aanvulling erop.
De nieuwe cijfers van de Studiecommissie onderstrepen daarom de urgentie om werk te maken van zowel de verbreding als de verdieping van de aanvullende pensioenen. Verbreding betekent dat alle werknemers effectief toegang krijgen tot een aanvullend pensioen. Verdieping betekent dat de bijdragen voldoende hoog zijn om na een volledige loopbaan een betekenisvol aanvullend pensioen op te bouwen.
2035 is de streefdatum, niet het startpunt
Het federale regeerakkoord voorziet dat alle werknemers, met inbegrip van de contractuele personeelsleden in de publieke sector, tegen uiterlijk 2035 over een stevig aanvullend pensioen moeten beschikken waarvoor een werkgeversbijdrage van minstens 3% wordt voorzien. Sectoren die deze grens nog niet bereiken, moeten volgens het regeerakkoord een prioritaire bijkomende inspanning leveren via hun sectorale akkoorden.
Die doelstelling moet nu worden omgezet in een concreet en geloofwaardig groeipad tegen 2035 en hier moet vandaag werk van worden gemaakt. Pensioenopbouw vergt immers tijd: hoe later de bijdragen worden verhoogd, hoe korter de periode waarin rendementen kunnen worden opgebouwd en hoe groter de latere inhaalbeweging moet zijn.
De conclusie van het nieuwe vergrijzingsrapport is niet dat België moet kiezen tussen betaalbare of adequate pensioenen. We hebben beide nodig. Een sterke tweede pensioenpijler is daarbij geen alternatief voor het wettelijke pensioen, maar een noodzakelijke aanvulling. De doelstelling voor 2035 vraagt daarom vandaag al om concrete beslissingen. Alleen door nu tegelijk in te zetten op een sterke eerste pijler en een brede, voldoende diepe tweede pijler kan België de budgettaire houdbaarheid van zijn pensioenstelsel verzoenen met een adequaat pensioeninkomen voor toekomstige generaties.
Het PensioPlus team